Malaysia part 3: in search of that incredible monkey!

Op Langkawi merken we al dat het voor de groep een grotere vraag is wat de volgende stop gaat worden, dan voor ons. We zijn er nog niet zo mee bezig geweest en zien wel waar we zin in hebben. Na eerst een dagje te zijn bijgekomen, de was te hebben gedaan en alvast een beetje onze te tas hebben ingeruimd, gaan we op onderzoek. Al vrij snel besluiten we nu vast naar Borneo te gaan, dat staat sowieso hoog op ons lijstje en we lezen dat de meeste mensen er 4 weken over doen. In ons rustigere tempo lijkt 6 weken ons daarom geen dag te veel.

We boeken een ticket van Langkawi naar Kuala Lumpur, slapen daar een nachtje op het vliegveld en vliegen vervolgens door naar Kuching op Borneo. We vinden Kuching gelijk leuk, de mensen zijn vriendelijk en het is nog echt zo’n authentiek dorpje met kruidenwinkels en winkeltjes waar nog van die mooie oude naaimachines verkocht en gemaakt worden, heerlijk om doorheen te lopen. Vanuit Kuching gaan we langs bij het Semenggoh Orang Utan Conservation Centre. Helaas hebben we weinig geluk, we missen de eerste bus en in het park laten de oerang oetans zich ook al niet zien. Het park is mooi en de rangers doen goed werk, dus het was alsnog zeker wel de moeite waard.

De volgende dag gaan we naar Bako National Park, volgens velen het mooiste park van de provincie Sarawak. Bij aankomst kiezen we een aantal routes uit waarvoor we ons moeten registreren en na de eerste stappen zien we al de Proboscis Monkey (neusaap). Hoewel geen oerang oetan, is ook dit erg bijzonder en genieten we van hun aanwezigheid. Ze worden door de plaatselijke bevolking Orang Belanda (Nederlander) genoemd, omdat ze vroeger vonden dat de aap wel iets weg heeft van ons volk met zijn grote neus en dikke buik. In het park zien we ook nog de bearded pig, slangen, macaques en ontzettend mooie natuur. We lopen naar een uitzichtpunt van waar we bijna het hele park kunnen zien en hiken op ons gemakje weer terug naar de opstapplaats voor de boot.

Vanaf Kuching reizen we per boot verder naar Sibu. De reis duurt 4 uren, gaat onder andere over open zee en om ons heen horen we dan ook verschillende mensen misselijk worden. Amber is blij met haar plekje buiten en Joost volgt een mega goede lokale film zonder ondertiteling ;). Sibu zelf is niet fantastisch, het is vies, er wonen meer Chinezen dan Maleisiërs en er is weinig te beleven, daar komt bij dat het ook nog eens de grootste broedplek is van de mug die het Dengue virus verspreidt. Amber blijft dik aangekleed, ondanks de verzengende hitte. We gaan dan ook snel door naar Miri, per bus dit keer. Het is een tripje van 8 uren, waarbij we onderweg een keer stoppen om te eten. Miri is een gezellig stadje met veel eettentjes en een leuk centrum. Veel mensen komen hier om per vliegtuig naar het grootste park van Borneo te vliegen, Mulu. Voor ons is dat te duur en het gaat daar meer om de grotten dan om wildlife, dus wij besluiten dat park over te slaan.

Na Miri reizen we per bus door naar Brunei, een landje dat nog geregeerd wordt door een sultan en rijk is vanwege de enorme hoeveelheid olie. Brunei is zeer gelovig, dus het is voor vrouwen niet toegestaan om met blote schouders en knieën rond te lopen. Gelukkig was Amber al gewend aan de bedekkende kleding vanwege de besmette muggen en het feit dat er nergens DEET te koop is. Joost loopt wel gewoon lekker rond, die maakt zich aanzienlijk minder druk om het gevaar. In Brunei bezoeken we een met bladgoud bekleedde moskee en bewonderen we het paleis van de sultan.We blijven hier maar een nachtje, er is niet veel te doen en we komen immers voor de oerang oetan, die leeft niet in Brunei.

We gaan per boot verder naar het eilandje Labuan, wat weer bij Maleisië hoort. Het is de gemakkelijkste manier om tussen de twee landen te reizen én het staat garant voor 4 extra stempels in je paspoort, hoppaaaa! Op de boot ontmoeten we Frida, een Zweeds meisje met een NLse vriend die samen in Australië wonen. We lunchen op Labuan, lopen een beetje rond (het is een belastingvrij eiland, water is duurder dan bier) en nemen in de middag de boot naar Kota Kinabalu, op de noordelijke provincie van Borneo, Sabah.

Als we met de boot aankomen in de haven, is het eerste wat we zien enorme rijen olietankers en bergen afval in het water. We slapen in hetzelfde hostel als Frida en gaan ’s avonds gezellig met z’n drieën eten bij een leuk restaurantje. Kota Kinabalu heeft sowieso een levendig centrum met heel veel leuke eettentjes, winkels en marktjes. Vanuit hier gaan we met de local bus (wat nog een helse zoektocht is) naar een strandje, waar Amber de enige in bikini is en zich dus ietwat opgelaten voelt. We eten ’s avonds weer met z’n drieën en wisselen ervaringen uit over wat we deze dag beleefd en gedaan hebben. De volgende dag staan we vroeg op en nemen we de bus naar Uncle Tan’s in Sepilok. Een busrit van zo’n 4 uur waarbij we afgezet worden op een rotonde en dankzij het richtingsgevoel van Joost, gelukkig in één keer de goede weg nemen naar onze slaapplek bij Uncle Tan’s.

’s Middags doen we niet heel veel, we relaxen een beetje en werken ons dagboek een klein beetje bij. We hebben een all inclusive geboekt, dus ’s avonds staat er een heerlijke maaltijd voor ons klaar. ’s Ochtends vroeg vertrekken we met de bus naar het Sepilok Orang Oetan Conservation Centre en hier hebben we wel geluk, we zien maar liefst 4 oerang oetans! Ook nemen we een kijkje bij de speeltuin voor de kleintjes. Allemaal baby orang oetans waarvan de moeder gedood is of zij zelf gevangen waren genomen om als huisdier te houden. De rangers leren ze om te overleven in het wild en op zoek te gaan naar hun eigen voedsel. Fantastisch om deze beesten in het echt te hebben gezien. Aan de overkant is ook nog het Sunbear Conservation Centre. Nog nooit van gehoord, maar nu we er toch zijn, kunnen we er ook wel even kijken. We zijn op slag verliefd op deze schattige beestjes, de kleinste beer ter wereld! De eigenaar kan ook super enthousiast vertellen en we leren dan ook erg veel vandaag. Een prachtige dag!

’s Middags stappen we in de bus naar het echte regenwoud aan de Kinabatangan River, waar we 2 nachten in de jungle zullen slapen. Het trapje naar de boot toe is al een hel, maar iedereen weet heelhuids aan te komen. We varen 1,5 uur met de boot en worden gedropt bij de jungle lodge van Uncle Tan. Onze hutjes zijn erg basic, geen ramen en deuren, een matras op de grond en een klamboe. De douche is een emmer met regenwater die je over jezelf heen kunt gooien, geniaal. We maken kennis met onze groep, en als het donker wordt, stappen we op een bootje voor onze nightsafari. We spotten flying foxes, heel veel bijzondere vogels en een baby krokodil. Uiteraard laten de macaques zich ook weer regelmatig zien.

Bij terugkomst staat het eten voor ons klaar, we zingen met z’n allen ‘in the jungle’ en kruipen niet al te laat ons bedje in. De volgende ochtend om 6 uur zitten we alweer in de boot, dit keer voor de ochtendsafari per boot. Heel bijzonder om door een stille jungle te varen die net ontwaakt. Na het ontbijt pakken we ons goed in, want we gaan hiken door de jungle! We kunnen laarzen huren bij het basecamp, maar de eerste drie die we oppakken hebben een spinnen- óf mierennest in zich. Laat maar.. Het heeft geregend, dus het is erg glad en we glijden inderdaad een paar keer uit, maar de gids weet veel planten en insecten aan te wijzen en dat maakt het erg leuk. Aan het einde van de trip lopen we langs een bijennest, die het niet leuk vinden dat we ze wakker maken. Ondanks de lange mouwen, wordt Amber 5x gestoken. Frida ook 3x en Joost heeft uiteraard niks. Amber zuigt de steken uit en smeert er een verzachtend spulletje op.

Na de lunch kunnen we mee op een vistripje, maar wij besluiten bij het basecamp te blijven en zelf een beetje rond te lopen. Frida en ik besluiten te ‘douchen’. Omdat het in de buitenlucht is en er geen hokje is, houden we voor elkaar een handdoek op zodat we geen pottenkijkers hebben. Die handdoek werkt natuurlijk maar aan één kant en aan de andere kant is de jungle, waar de macaques bewonderend toe kijken hoe wij die emmers water over ons heen gooien. Wat een fantastische ervaring, douchen in de natuur met regenwater en een kolonie aapjes als toeschouwers! Welcome to the jungle 🙂

’s Avonds gaan we nog een keer mee op de boot en na het eten gaan we mee met de gids op nachtwandeling door de jungle. Wederom goed aangekleed, inclusief capuchon. Je weet nooit wat er van bovenaf in je nek neerdaalt. Hoe goed voorbereidt we ook zijn, Amber heeft het ongeluk dat ze in een nest met fire-ants stapt die door haar sokken heen bijten. Oei wat is dat pijnlijk! De gids staat er bij te lachen, maar voor Amber is de lol er wel een beetje vanaf. ’s Ochtends gaan we nog één keer mee op de bootsafari, waar we dit keer ook een alligator en een otter zien! Geen orang oetan of olifanten, die hier ook leven, maar toch hebben we genoten van de jungle!

Vanaf de jungle nemen we de bus naar Sandakan en dat is ook het moment dat we afscheid nemen van Frida. We belanden in een hostel met een fantastisch mooi dakterras wat uitzicht geeft op de zee. In Sandakan ontmoeten we 2 jongens die ook net uit de jungle komen en die Fries zijn, dat schept toch een band. Van Frida krijgen we een berichtje dat ze naar de dokter moest omdat haar hele hand opgezet was van de bijensteek, blij dat wij ze hebben uitgezogen, want Amber heeft gelukkig nergens last meer van. Als we horen dat in Sandakan de toeristen het doelwit zijn in een politiek conflict tussen Maleisië en ‘de piraten van de Filipijnen’ en dat het voor ons ’s avonds op straat niet heel veilig is, besluiten we terug te gaan naar Kota Kinabalu en op zoek te gaan naar vrijwilligerswerk.

We hebben genoten van de jungle en al het wildlife wat Borneo te bieden heeft, maar zijn ook ontzettend geschrokken van de belabberde toestand waarin de natuur daar verkeert. Borneo staat bekend als jungle, geroemd om zijn groene natuur en wildlife. Waar echter niet over gesproken wordt en wat ontzettend schrikken was, is dat de natuur plaats moet maken voor enorme palmolie plantages. Het leefgebied van de prachtige beesten wordt kleiner, dat is ook de reden dat de kans om ze te spotten zo groot is. De inwoners zijn zich niet bewust van de schade die dit aanricht, maar kijken alleen naar het geld. De kust ligt vol olietankers, afval wordt op straat gesmeten en je kunt het ze nauwelijks kwalijk nemen, want ze weten niet beter. We zijn blij dat we geweest zijn en hopen dat meer mensen, maar vooral de bevolking, zich bewust wordt van de pracht en de noodzaak van hun land. Ze leven van het toerisme, wij zijn er nog niet over uit of we dat nou moeten blijven steunen of niet.